
Keyvan Shahbazi wint Pim Fortuyn Prijs 2026
DEN HAAG – De Iraans-Nederlandse schrijver Keyvan Shahbazi (61) heeft woensdag 20 mei 2026 de Pim Fortuyn Prijs gewonnen. Deze prijs wordt jaarlijks uitgereikt aan een publieke denker of doener die, in de geest van Fortuyn, het debat niet schuwt en zich onderscheidt door onafhankelijk denken. Bij Ezo Wolf zijn momenteel twee boeken van zijn hand leverbaar: De Amerikaan van Karadj en De prijs van vrijheid. De toespraak die Shahbazi uitsprak na afloop van de overhandiging van de Pim Fortuyn Wisselbokaal kunt u hier lezen:
Gelukkig heb ik, voor het geval dat het onmogelijke zou gebeuren en uit deze fantastische kandidaten mijn naam zou worden geroepen, iets voorbereid. Het is een bijzondere eer om deze prijs te mogen ontvangen.
Een prijs die de naam draagt van iemand die het spreken niet zag als een recht, maar als een verantwoordelijkheid – en die bereid was daarvoor een prijs te betalen. Dat maakt dankbaarheid hier niet alleen passend, maar ook ongemakkelijk.
Toen ik jaren geleden in Nederland aankwam, dacht ik dat vrijheid iets was wat je betreedt. Een ruimte waar alles gezegd kan worden, en waar woorden geen grenzen kennen. Pas later begon ik te begrijpen dat vrijheid geen ruimte is, maar een praktijk – iets wat voortdurend ontstaat en ook kan verdwijnen.
Want vrijheid verdwijnt zelden op het moment dat het wordt afgeschaft. Wanneer vrijheid formeel wordt afgeschaft, is ze vaak al lang verdwenen.
Vrijheid verdwijnt in hoe een zin wordt ingeslikt. In wanneer een gesprek een andere richting krijgt, zonder dat iemand dat heeft afgesproken. De meeste grenzen worden niet opgelegd. Ze worden aangevoeld.
Ik heb het eerste deel van mijn leven doorgebracht in een land waar die grenzen wél werden opgelegd, waar woorden directe gevolgen hadden. Waar de prijs niet verborgen was, maar zichtbaar en onontkoombaar aan de bouwkranen hing. Daar is spreken een daad. En zwijgen vaak een vorm van overleven.
Ik was negentien jaar toen ik in Amsterdam asiel aanvroeg. In de Nieuwmarktbuurt maakte het gebonk van heipalen het gesprek soms onmogelijk in het kantoor van Vluchtelingen Werk.
Ze zeiden: ‘Mensen die daar woonden, kwamen niet meer terug.’
Waarvandaan? vroeg ik mij af, nog onwetend van het lot van de Europese Joden.
In Nederland mag alles gezegd worden. Zeker. En toch – niet zonder gevolgen. Niet door de hand van de staat. Maar door de blik van de ander.
Vrijheid van spreken is hier geen verboden terrein. Maar ook hier heeft zij een prijs. Alleen is het gevolg subtieler. Stiller. Moeilijker aan te wijzen.
Je betaalt die prijs in kleine momenten. Wanneer een gesprek anders verloopt dan daarvoor. Wanneer stilte valt.
Wanneer je merkt dat je woorden niet alleen worden gehoord, maar ook worden gewogen.
Soms zijn die momenten nauwelijks zichtbaar voor buitenstaanders. Maar voor de spreker zijn ze ondubbelzinnig herkenbaar.
Een hoofdredacteur die boven een column een banner plaatst met excuses voor de tekst die hij zelf heeft geplaatst. Niet omdat die onwaar was, maar omdat die kennelijk niet gezegd mocht worden.
Of een organisatie die vrijheid hoog in het vaandel zegt te hebben, totdat die vrijheid een concrete uitspraak wordt.
Of een ‘tip’ na afloop van een televisie-uitzending om een ‘gevoelig’ thema te vermijden als je vaker wilt aanschuiven.
De boodschap is: leer je woorden te kiezen. Leer je zinnen af te ronden voordat ze scherp worden. Leer waar de onzichtbare randen liggen.
En precies daar gebeurt iets wezenlijks. Want een samenleving waarin alles gezegd mag worden, maar niet alles meer gezegd wordt, verliest ongemerkt iets van zichzelf. Niet omdat mensen niet meer spreken. Maar omdat ze leren binnen de onzichtbare grenzen te spreken.
Achter dit mechanisme schuilt een uiterst vernuftig instrument. Het is zelden zichtbaar. Maar altijd aanwezig. Dat instrument heet moralisme. Niet als overtuiging. Maar als zwaard.
En soms krijgt dat zwaard een gezicht. In demonstraties waar oproepen klinken tot de vernietiging van een democratische staat; de enige veilig haven van een vervolgd volk.
Waar vlaggen worden gedragen van regimes die hun eigen bevolking met geweld onderdrukken. Waar politieke ideologieën – in religieuze taal gegoten – zich presenteren als strijd voor rechtvaardigheid, en het opkomen voor slachtoffers. Terwijl zij zelf botsen met de vrijheden waar ze gebruik van maken.
En wat zichtbaar wordt, is dat dit niet alleen wordt verdragen, maar ook gelegitimeerd. Niet ondanks, maar juist onder het mom van moraal.
Dames en heren,
Terwijl wij hier bijeen zijn, worden in mijn geboorteland Iran mensen geëxecuteerd. Nu. Terwijl ik hier spreek. Mannen. Vrouwen. Soms nog minderjarig. Veroordeeld in processen die die naam niet verdienen. Ter dood veroordeeld omdat zij iets hebben gezegd wat niet gezegd mocht worden.
De aantallen lopen op. Al bijna een halve eeuw. De doodstraf is niet alleen een straf. Zij zegt niet: dit mag je niet doen. Het is ook een boodschap. Zij zegt: denk hieraan. Dit is het gevolg.
Aan hen draag ik deze prijs op. De tienduizenden slachtoffers van het Iraanse regime – wier stemmen werden verstikt, wier levens werden gebroken. Generatie na generatie. Al bijna vijftig jaar.
Daar worden grenzen niet meer aangevoeld. Daar worden ze opgelegd aan wie ze overschrijdt. Zichtbaar en onmiskenbaar.
Maar wie goed kijkt, ziet dat het begin ergens anders lag. Niet bij de galg. Maar veel eerder. Bij wat niet meer werd gezegd, voordat het niet meer mocht worden gezegd.
Het begon met wat werd getolereerd – ook daar. Met ideologieën die niet werden tegengesproken omdat zij zich beroepen op rechtvaardigheid en het opkomen voor slachtoffers. Met bondgenootschappen die werden gesloten uit morele zelfgenoegzaamheid. En precies daar ligt de parallel die wij liever niet zien.
Ik heb de naamgever van deze prijs, de grote Pim Fortuyn, één keer van dichtbij meegemaakt. Hij sprak zijn oordeel over de populaire uitgave van een proefschrift over de integratie van degenen die we toen allochtonen noemden. Hard, vlijmscherp en compromisloos. Hij kreeg uit het gehoor een prop papier tegen zijn hoofd.
Fortuyn ging onverstoorbaar door.
De gooier van de prop papier kende ik; ik deelde mijn geboorteland met hem. Maar de kloof tussen ons kon op dat moment niet groter zijn. Hij voelde zich machtig en tegelijk ontwapend, nietig en onmachtig. Machtig, omdat hij het zwaard van moreel gelijk meende te dragen.
Onmachtig, omdat zelfs dat zwaard – en in het geval van Fortuyn zelfs kogels – geen vat krijgen op woorden. Op argumenten. Op de waarheid.
Want: Het niet zeggen van wat moet worden gezegd heeft gevolgen.
Niet voor degene die spreekt. Maar voor de samenleving.
Want zonder die woorden – de ongemakkelijke, de schurende, de afwijkende – wordt de werkelijkheid smaller.
Overzichtelijker misschien. Rustiger ook.
Maar beduidend smaller. En beslist ook armer. En onwaarachtiger.
Ik heb in mijn leven gezien wat er gebeurt wanneer het spreken onmogelijk wordt. Wanneer twijfel verdwijnt. Wanneer één waarheid zich opdringt en geen tegenspraak duldt.
Het begint klein. Met wat niet meer gezegd wordt. Met wat wordt ingeslikt. Met wat wordt aangepast, zodat het beter binnen de grenzen past.
En daarom is vrijheid van spreken geen bezit. Het is geen recht dat we één keer hebben verworven en daarna kunnen bezitten. Vrijheid van spreken is een praktijk. Iets wat vraagt om moed. Maar ook om iets anders.
Om de bereidheid om te verdragen. Om te verdragen dat niet alles wat gezegd wordt ons bevalt. Om te verdragen dat woorden kunnen pijn doen. Om te verdragen dat iemand iets mag zeggen wat wij zelf nooit zo zouden formuleren.
En dat is de prijs van een vrije samenleving. Niet of wij vrij zijn om te spreken wanneer het gemakkelijk is. Maar of wij dat ook zijn wanneer het spreken een prijs heeft.
Misschien is dat uiteindelijk waar het om gaat. Niet omdat alles gezegd moet worden. Maar opdat het gezegd kán worden – zonder dat iemand eerst de prijs berekent.
Ik dank u wel.
