Bij Ezo Wolf verschenen twee Zeeuwse boeken;  de roman Dulf van Jos Rouw en de poëziebundel  anatomie van de grassen van Tijs van Bragt. Jos Rouw schreef over hun gesprek tijdens de presentatie van de dichtbundel.

Vogels
Toen ik nog niet zo lang bestond had ik een hut, ergens tussen een paar bomen langs een sloot. Ik herinner me dat ik daar op een grauwe namiddag naartoe ging, een gat in een van de bomen zag, erin keek en iets zag kloppen. Ik zou nog altijd zweren dat ik het hart van de boom heb gezien. Het glom een beetje en het klopte. Ik schrok en ging meteen de hut uit.

Dertig jaar later lees ik de gedichten van Tijs van Bragt en denk ik aan die boom. Zijn woorden roepen een levendig landschap op waar ik ontzag voor heb. Met onbekende kruiden, omineuze vogels en het continue, geleidelijke veranderen van de dingen.

Bij de presentatie van zijn nieuwe bundel mag ik hem interviewen. We zitten in ArtBase, boven in het stadhuis van Terneuzen, allemaal ramen, panoramablik op de Westerschelde. Het begint niet met een plan, zegt hij, het begint met de klank van bepaalde woorden. Met regels die in hem opkomen of die hem zelfs overvallen. ‘Soms is dat vervelend. Dan ben ik iets praktisch aan het doen en moet ik even stoppen.’

Toch heeft hij een bepaalde bedoeling, hij wil zijn leefomgeving vastleggen, ‘er een document van maken voordat alles weer anders is’. Hoe hij van de eerste klanken naar zo’n document komt, weet alleen hij, maar het is hem weer gelukt. Ik lees het en ik zie mijn omgeving leven zoals ik het hart van de boom zag kloppen.

Bij de presentatie speelt broeder Dieleman onder meer Aalscholvers. ‘Alles roept en zingt.’ Vooraf, bij het testen van het geluid, keken we naar de Westerschelde. Hij wees, daar vlogen ze nog ook. Even later stopte hij met spelen omdat hij gierzwaluws zag (dit is het correcte meervoud). En toen: ‘Hier, een buuzerd, wat een beest!’

Ik zag Tijs glimlachen, hij begreep het heel goed.